Voor advies bel: 023 303 22 00

40A Bopz, Waar moet je op letten?

40A Bopz

Mr J.A. Heeren[1]

 

Inleiding

Hoewel het een klein artikel in de Wet Bopz is en volgens Keurentjes ook een overbodig wetsartikel [2] veroorzaakt het betreffende artikel veel discussie in de praktijk. Artikel 40a Wet Bopz luidt als volgt: “

Artikel 40a

De patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waartegen op grond van artikel 41, eerste lid, een klacht kan worden ingediend, wordt door de zorg van de geneesheer-directeur schriftelijk geïnformeerd: (1) over de gronden waarop de beslissing berust, (2) over de mogelijkheid de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen en (3) over de mogelijkheid gebruik te maken van de artikelen 41 tot en met 41b.(Bopz)

Het bovengenoemde artikel is bij amendement in de Wet Bopz gekomen. De reden was dat aanbeveling 14 van de begeleidingsgroep van de tweede Bopz evaluatie nog niet in de wet was Nadat er een verruiming van de grond voor dwangbehandeling is voorgesteld in de Wet bopz (juni 2008) is een goede informatieverstrekking over de klachtenprocedure eens te meer van groot belang, schrijven de initiatiefnemers Vendrik en Koser Kaya.[3] Als je het  amendement goed leest is het weet krijgen of hebben van de klachtprocedure de belangrijkste reden voor het amendement. Dat argument wordt twee keer herhaald in de overigens in omvang beperkte toelichting. De toelichting was wel genoeg, het artikel is in 01 juni 2008 in de Wet Bopz opgenomen.

De impact van 40a Wet Bopz is groter dan de omvang van het artikel doet vermoeden. Sinds het verschijnen zijn rechters zich meer bewust van het feit dat de Bopz een bestuursrechtelijke wet is en dat besluiten over de interne rechtspositie van met een maatregel opgenomen patiënten beschikkingen zijn in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht.[4] Deze beschikkingen moeten dan ook voldoen aan de criteria die daarvoor in de wet zijn opgesteld. Op hoofdlijnen gezien moet het besluit zorgvuldig worden voorbereid. De betrokkenen moeten voorafgaand aan de beslissing worden gehoord. De bij het besluit betrokken belangen moeten worden afgewogen. De gevolgen van het besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de het besluit te dienen doelen en het besluit moet deugdelijk kenbaar worden gemaakt. Zie de artikelen 3.3,3.4,4.8 en 3.46 Awb. Hier ligt nog een terrein open als het gaat om rechtsbescherming van onvrijwillig opgenomen patiënten en dat is dan ook de bedoeling geweest van de wetgever.

In de praktijk blijken de 40a brieven zoals deze zijn gaan heten nogal eens te mankeren. Het besluit moest snel genomen worden, of de beslissers hebben het erg druk en krabbelen maar wat op. Het komt ook voor dat er geen 40a brief is om welke reden dan ook. Slordigheid is niet te repareren, maar als er door drukte of grote spoed even geen tijd is om de 40a brief direct te maken voorziet 3.47 AWB in een mogelijkheid om uiterlijk binnen een week na het besluit alsnog met een motivering te komen. In de praktijk van de psychiatrie is dat echt te laat. Bijvoorbeeld bij de beslissing om dwangmedicatie te gaan toedienen heeft de cliënt per direct een 40A brief nodig om te weten waarom hij dat medicijn moet innemen en hoe hij daartegen kan protesteren. Is er sprake van afzondering in een acute situatie kan er wel eerst gehandeld worden maar moet er vervolgens dan ook snel verantwoord worden.

Wanneer moet er een 40a brief komen.

Er dient een 40a brief opgesteld te worden bij elk besluit waartegen een schriftelijke klacht ingediend kan worden. Deze verplichting geldt voor alle drie de sectoren: psychiatrie, verstandelijk gehandicaptenzorg en ouderenzorg. Zie artikel 41 Bopz, 38a Bopz, vierde lid, een besluit over wilsbekwaamheid; 38c Bopz, tweede en derde lid, besluit over dwangbehandeling, 39 Bopz toepassen middelen en maatregelen en artikel 40 Bopz beperking van de vrijheden en over een beslissing om het overeengekomen behandelplan niet uit te voeren. In al deze gevallen dient het Als een cliënt meerdere keren per week een klachtwaardige handeling moet ondergaan dient er voor elke keer een aparte 40A brief gemaakt te worden, tenzij de beperking of de behandeling voortduurt en gezien kan worden als een voortgezette beperking of behandeling. Dat zal uit het besluit moeten blijken.

Het is niet altijd eenvoudig gebleken om te bepalen wanneer er een besluit genomen moet worden. Een voorbeeld daarvan is de beperking van de bewegingsvrijheid. Er zijn veel vormen van beperking die noodzakelijk zijn om de behandeling vorm te geven. De jurisprudentie gaat dan over kamerprogramma’s. Wanneer is een kamerprogramma een beperking van de bewegingsvrijheid?  Of is een kamerprogramma te zien als een behandelmethode en dient er een besluit genomen te worden als de cliënt zich ertegen verzet en het kamerprogramma toch nodig is.  Maar ook de acute opname die veelal geschied op een gesloten afdeling. De Bopz voorziet in een gedwongen opname in een aangemerkte instelling. De wet kent geen nadere omschrijving van wat een opname nu precies betekent. Weg uit de maatschappij, zoveel is duidelijk, dus op het terrein van de instelling. Een verdere beperking van de bewegingsvrijheid is niet voorzien. Als dat toch noodzakelijk is, naar het oordeel van de voor de behandeling verantwoordelijke persoon, dient er in elk individueel geval een besluit genomen te worden over de mate waarin de beperkingen worden opgelegd. Dit is voor bijna elke medewerker die op een acute afdeling werkt een schok. Het is zo “normaal “om elke patiënt op te nemen op een gesloten afdeling en naar bevindt van zaken de vrijheden uit te breiden. De oplossing is eenvoudig, althans dat lijkt zo. De instelling kan voor haar acute afdeling een standaardbehandelplan opstellen waarin de vrijheden worden beperkt. Dat kan niet in het afdelingsreglement of in de algemene voorwaarden of huisregels. Dat moet in een individueel besluit/behandelplan worden opgenomen en ook gemotiveerd. Al kan die motivatie de zin bevatten dat opname op een gesloten afdeling noodzakelijk is omdat men de patiënt niet kent en het ieders veiligheid dient om op deze manier te starten.

Wat als er geen 40a brief is.

Dan is het de vraag of de patiënt voldoende is geïnformeerd over het besluit en de rechten die hij heeft om daartegen in verweer te komen. Dit geïnformeerd zijn is een vereiste voor een geldig besluit, zoals we al in eerdere alinea’s van deze bijdrage hebben besproken. Langemeijer schrijft daarover dat “het achterwege blijven van een gemotiveerde kennisgeving voor de klachtencommissie, onderscheidenlijk voor de rechtbank, een grond zijn voor het oordeel dat de beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen en de toepassing niet rechtmatig is”.[5] Het kan verkeren, want er kunnen redenen zijn om de 40A brief niet direct uit te reiken, maar In de praktijk zal de klachtencommissie en/of de rechter de klacht dan gegrond verklaren. Let wel de klacht over het besluit waarvoor een 40A brief gemaakt moet worden. Er kan niet geklaagd worden over het ontbreken van een 40a Brief. Gek genoeg is die mogelijkheid niet aanwezig. De Bopz is duidelijk, er is in artikel 41 lid 1 Bopz een limitatieve opsomming van de onderwerpen waarover geklaagd kan worden. Artikel 40a Bopz is hier niet in opgenomen.  Opvallend genoeg heeft de rechter het niet voldoen aan artikel 40a wel al meegenomen bij Bopz-klachten. Een mooi voorbeeld is een uitspraak van vorig jaar die zich afspeelde in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Het betrof een klacht ex. Artikel 41 bopz waarin ook het ontbreken van de schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet bopz centraal stond.[6]

Aan welke eisen moet de 40brief voldoen

De eisen zijn voor een deel al beschreven in artikel 40a. Het moet de bevatten waar de beslissing op rust en duidelijk verwijzen naar de en de klachtenregeling. Niet vermeld is dat de 40a brief ook de beslissing zelf moet bevatten, maar dat is zo vanzelfsprekend dat het wat mij betreft niet in de wet opgenomen behoeft te worden. De beslissing moet wel duidelijk zijn. Rechtbank Assen[7] oordeelde de zin ”beperking bewegingsvrijheid (kamerprogramma terugzetten vrijhedenfase” en “behandelaars / medewerkers zullen met u bespreken op welke wijze deze beperking z.s.m. beëindigd kan worden” als te onduidelijk. Betrokkene zou op basis van deze teksten niet weten welke vrijheden beperkt zijn, in welke mate en op basis van welke criteria de beperkingen weer zouden worden opgeheven. Daar zit wat in. De beslissing en de motivatie moeten duidelijk zijn dus. En niet alleen voor de patiënt zelf, maar houdt in gedachte dat deze brief ook inzet kan worden van een klachtenprocedure. De klachtencommissie en de rechter zijn niet altijd bekend met de heersende afdelingsregels. De eis dat het besluit duidelijk moet zijn omvat ook dat er een periode aangegeven moet worden waarin het besluit geldig is. Het besluit kan altijd verlengd worden als dat noodzakelijk is, maar het is wel raadzaam om de evaluatiemomenten in het besluit aan te geven.

Tot slot.

Ik zou nog terugkomen op de opmerking van Keurentjes dat deze bepaling een vrij overbodig artikel is omdat de informatieplicht al voortvloeit uit de Algemene Wet Bestuursrecht. Uiteraard heeft hij daar (als gewoonlijk) volkomen gelijk in. Toch heeft het artikel wel zin. Niet elke behandelaar kent de Algemene Wet Bestuursrecht. Het artikel heeft een duidelijke functie in de rechtsbescherming van patiënten in alle drie de sectoren waarvoor de Wet Bopz geldt. Heldere, goed gemotiveerde besluiten komen ook de kwaliteit van de klachtbehandeling ten goede.

 

[1] Mr J.A.Heeren is advocaat, gespecialiseerd in de BOPZ en voorzitter Bopz klachtencommissie NHN

[2] Wet Bopz tekst en commentaar 3e gewijzigde druk bladzijde 203

[3] Kamerstukken 30 492 2006 2007 nr 17

[4] Zie bijvoorbeeld rechtbank Gelderland ECLI:NL:RBGL:2015:7657

[5] ECLI:NL:PHR:2012:BY2000

[6] Rechtbank Oost-Brabant, 20 maart 2015, gepubliceerd in JVGGZ 2015-3, nummer 34, met noot Frederiks en Vermaak.

[7] Rechtbank Assen 19 februari 2016

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *