Voor advies bel: 023 303 22 00

Dwangbehandeling in het Penitentiair Psychiatrische Centrum

Inleiding:
Op 1 juli 2013 is dwangbehandeling mogelijk gemaakt in de beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de penitentiaire beginselenwet en de beginselenwet justitiële jeugdinrichting .

Deze bijdrage begint met een kort overzicht van het doel van de wet, gevolgd door een korte inhoudelijke bespreking van de verschillende soorten dwangbehandeling. Ik zal vervolgens in het kader van de bespreking van de rechtsbescherming van de betrokkene de verschillende functies en rollen van de direct bij de rechtsbescherming betrokken functionarissen beschrijven. In navolging van de wet en het besluit wordt degene die dwangbehandeling opgelegd krijgt “de betrokkene” genoemd.

Doel van de wetgeving
De doelstelling van de wet is de verschillen in de behandelmogelijkheden van psychiatrische patiënten in en buiten de penitentiaire inrichting zoveel als mogelijk is op te heffen. In aansluiting op de mogelijkheden tot dwangbehandeling zoals opgenomen in de Bopz onder artikel 38 C is besloten tot de introductie van een a en b dwangbehandeling naast de al bestaande mogelijkheid voor de directeur om de gedetineerde ex artikel 32 Pbw te bevelen een medische behandeling te gedogen.

Gedwongen behandelen kan alleen als de betrokkene gevaar oplevert voor zichzelf of voor anderen. Wat is gevaar in de zin van de Pbw? Zie daarvoor artikel 46a.
“Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder gevaar verstaan:
Gevaar:
1. gevaar voor de gedetineerde die het veroorzaakt, hetgeen onder meer bestaat uit:
a. het gevaar dat de gedetineerde zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
b. het gevaar dat de gedetineerde maatschappelijk te gronde gaat;
c. het gevaar dat de gedetineerde zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen;
d. het gevaar dat de gedetineerde met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.

2. gevaar voor een of meer anderen, hetgeen onder meer bestaat uit:
a. het gevaar dat de gedetineerde een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
b. het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander;
c. het gevaar dat de gedetineerde een ander, die aan zijn zorg is toevertrouwd, zal verwaarlozen;

3. gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen.

De a-dwangbehandeling
De a-variant van de Pbw dwangbehandeling kan opgelegd worden (zie artikel 46d lid a Pbw) als betrokkene niet instemt met het behandelplan en de behandeling weigert en “het aannemelijk is dat zonder die geneeskundige behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de gedetineerde doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen”.

Uit de gebruikte terminologie blijkt dat deze a-variant Pbw dwangbehandeling aansluit op 38 C lid 1 onder a Bopz. Door het veld het “extern criterium“ genoemd. De bewoordingen zijn bijna exact gelijk.
De behandeling is er op gericht om betrokkene buiten de inrichting of buiten de “zware” inrichting een bestaan te laten opbouwen. Vertaald naar penitentiaire termen gaat het om vervroegde invrijheidsstelling en resocialisatieprogramma’s waar de gedetineerde niet aan mee kan doen als zijn geestelijke toestand dat niet toelaat.

Uit de voorwaarden blijkt dat de behandeling moet zijn opgenomen in een behandelplan en dat betrokkene daar niet mee instemt. Verder moet de behandeling voldoen aan de gebruikelijke eisen als doelmatigheid, de behandeling mag niet “zwaarder” zijn dan noodzakelijk en ook niet langer dan noodzakelijk is worden voortgezet.

De a-dwangbehandeling kan worden opgelegd voor drie maanden met een mogelijkheid tot verlenging.

Voor de a-dwangbehandeling is een aparte procedure voorzien. Bij aanvang van de procedure is het belangrijkste verschil dat twee psychiaters de directie adviseren over de noodzaak een a- dwangbehandeling in te stellen. Verder moet de betrokkene direct naar de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) voor een verzoek tot schorsing en voor beklag. Er is geen beklag mogelijk bij de interne beklagcommissie.


B-dwangbehandeling
De b-dwangbehandelingvariant heeft tot doel gevaar dat optreedt binnen de instelling af te wenden. Zie artikel 46 D onder b Pbw; “indien de directeur daartoe een besluit heeft genomen en dit naar het oordeel van een arts volstrekt noodzakelijk is om het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de gedetineerde binnen de inrichting doet veroorzaken, af te wenden”. Zie ook 38C onder b Bopz.

Ook bij de b dwangbehandeling moet de behandeling zijn opgenomen in het behandelplan en moet de betrokkene de behandeling weigeren. Ook de b-dwangbehandeling moet voldoen aan de gebruikelijke eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er hoeft echter geen tweede beoordeling door een psychiater plaats te vinden.

De b-dwangbehandeling kan worden opgelegd voor 2 weken. As de behandeling langer duurt, moet een team worden samengesteld bestaande uit een afdelingshoofd, een psycholoog en een psychiater.

De procedure voor de b-dwangbehandeling is gelijk aan de bestaande procedure gedwongen medische behandeling zoals mogelijk gemaakt door artikel 32 Pbw. Er is één adviserend psychiater, er is recht om in beklag te gaan bij de beklagcommissie, er kan schorsing van de maatregel worden gevraagd bij de RSJ en tegen de uitspraak van de beklagcommissie kan beroep worden ingesteld bij de RSJ.

Waar kunnen deze dwangbehandeling worden uitgevoerd.
Beide dwangbehandeling kunnen alleen worden uitgevoerd op een afdeling als bedoeld in artikel 14 Pbw. Er dient voldoende psychiatrisch geschoold personeel 24/7 aanwezig te zijn. De PPC voldoet aan dit criterium.

Artikel 32 Pbw blijft bestaan.
Naast de beide varianten van de dwangbehandeling blijft de mogelijkheid voor de directeur om de gedetineerde te dwingen een medische behandeling te gedogen, zoals die in de Penitentiaire beginselenwet in artikel 32 Pbw opgenomen was, bestaan. Naar verwachting zal deze vorm van gedwongen behandelen gebruikt gaan worden voor acute situaties, waar de behandeling (nog) niet opgenomen was in het behandelplan, en meer somatische behandelmogelijkheden.

Rechtsbescherming van de betrokkene.
Bij de totstandkoming van de wet is getracht ook de rechtsbescherming van de betrokkene vergelijkbaar te laten zijn met de cliënt die onder de BOPZ dwangbehandeling krijgt opgelegd. Zij het dat het penitentiaire regiem eigen eisen stelt. Wellicht om deze reden is dat maar zeer ten dele gelukt. In de eerste plaats valt het al op dat er een andere rechtsbescherming is bij de a-dwangbehandeling dan bij de b-variant. Onder de Bopz maakt het voor de rechtsbescherming niet uit of je een artikel 38 C lid 1 onder a of onder b Bopz dwangbehandeling ondergaat. In de Pbw maakt dat wel uit. Bij de b-dwangbehandeling Pbw heb je twee instanties waar je kunt klagen; bij de beklagcommissie en in beroep bij de RSJ. Bij de a-dwangbehandeling maar bij één instantie: je moet direct naar de RSJ. In de toelichtingen op de wet en het besluit wordt dat door de regering gemotiveerd door te stellen dat een rechtsgang direct bij de RSJ de betrokkene snel toegang geeft tot een professionele rechter. In de praktijk zijn de voorzitter en de leden van de CVT beklagcommissie allen professionals als rechters, officieren van justitie of ervaren advocaten. Dit argument is om die reden niet steekhoudend en eigenlijk ook onbegrijpelijk. Feitelijk is de rechtspositie van de betrokkene bij een a-dwangbehandeling dan ook slechter vergeleken met de rechtspositie van de betrokkene bij een b-dwangbehandeling.

Bij de rechtsbescherming van de betrokkene die de a-dwangbehandeling moet ondergaan wordt in de toelichtingen op de wet en het besluit een belangrijke rol weggelegd voor de voorzitter en de maandcommissaris van de CVT. Voor de goede orde, de maandcommissaris is een lid van de commissie van toezicht die de gedetineerde bezoekt als deze daarom verzoekt.
In het navolgende ga ik in op de diverse rollen en bijbehorende taken van de commissie van toezicht bij de a- en later in het stuk ook bij de b-dwangbehandeling.

Wat moet en kan de voorzitter CVT doen na een melding voorgenomen besluit a-dwangbehandeling:
1e stap: 22 E lid 1
De voorzitter krijgt een melding van de directeur op grond van artikel 22 E lid 1 Pbw uiterlijk drie dagen voordat de dwangbehandeling wordt ingezet. De voorzitter meldt dit aan de dienstdoende maandcommissaris, die bij betrokkene langsgaat.

Zoals de wet nu is opgesteld kan de voorzitter (en alleen de voorzitter) in deze fase bezwaar maken tegen de voorgenomen a-dwangbehandeling. Uit de wet, het besluit en de toelichtingen daarop blijkt dat de voorzitter alle bezwaren kan voorleggen die uit de specifieke feiten en omstandigheden blijken. Dat wordt ook verwacht. Bijvoorbeeld als er (belangrijke) procedurele fouten worden gemaakt, als de maandcommissaris gemotiveerd verzoekt bezwaar te maken, of als de voorzitter blijkt dat niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit of subsidiariteit. Een dergelijke zware functie kan alleen worden waargemaakt als de voorzitter informatie en tijd heeft. Van beiden heeft hij tekort. Drie dagen en alleen het voorgenomen besluit zijn te weinig middelen om deze functie waar te maken.

2e stap 22 E lid 3
Op de dag en het uur dat de dwangbehandeling aanvangt wordt daarvan melding gedaan bij de CVT (het secretariaat). Bij deze melding is méér informatie vereist, zie 22 E lid 5. De wet noemt de navolgende items:
– In verband met welk gevaar is de behandeling ingezet.
– Welke minder bezwarende middelen zijn ingezet.
– Welke personen (betrokkene of wettelijk vertegenwoordiger) hebben zich verzet tegen de voorgenomen behandeling.
– Op welke wijze er rekening is gehouden met de persoonlijke voorkeuren van betrokkene.
– Is betrokkene in staat gebruik te maken van het klachtrecht.

Op grond van artikel 22 E lid 6 vermeldt de directie ook welke pogingen er zijn ondernomen om met betrokkene of zijn wettelijk vertegenwoordigers tot overeenstemming te komen over de noodzakelijke behandeling en welke bezwaren er zijn ingebracht na de eerste melding (zie stap 1).

Echter, dit is wel mosterd na de maaltijd. Je zou willen dat de voorzitter deze informatie vooraf zou krijgen. Hoogst merkwaardig dat deze informatie alleen achteraf wordt gegeven. De voorzitter noch de CVT kunnen dan nog iets met deze informatie. Er is in de wetgeving niet voorzien in de evaluatie van de dwangbehandeling door de CVT. Deze informatie is alleen van belang in het kader van de meer algemeen toezichthoudende rol van de CVT.

De maandcommissaris.
Wat kan/moet de maandcommissaris doen na een melding voorgenomen besluit a dwangbehandeling: deze dient de betrokkene onverwijld te gaan bezoeken (artikel 22E lid 2 Pbw).

Het doel van het bezoek is advies geven aan betrokkene over rechten en plichten en bemiddelen en ondersteunen bij een eventueel beroep. In de memorie van toelichting bij het besluit (blz. 26) wordt er van uitgegaan dat de maandcommissaris de betrokkene ook blijft volgen en, indien nodig, ondersteunen.

Opstelling van de maandcommissaris
In de memorie van antwoord aan de eerste kamer wordt op vraag van de SP gesteld dat de positie van de maandcommissaris gelijk is aan die van de patiënten-vertrouwenspersoon. “er is alleen verschil in benaming”. De staatssecretaris vergist zich hier. Het belangrijkste verschil is dat de PVP speciaal is opgeleid voor zijn functie en daar een dagtaak aan heeft.
De maandcommissaris is veelal een vrijwilliger, en heeft alleen als daar aandacht voor is geweest bij de werving en selectie kennis van psychiatrische ziektebeelden en criteria voor de toepassing van dwang en drang.
In de nu ingevoerde wet en besluiten heeft de maandcommissaris een belangrijke taak bij de ondersteuning van betrokkene. De maandcommissaris zal naar verwachting de eerste zijn die betrokkene ziet en “eerste hulp” moeten verlenen. Om toch goed te kunnen werken zijn een aantal praktische aanwijzingen bij de CVT PPC Boven Amstel voor de maandcommissaris ontwikkeld die van nut kunnen zijn.
1 In de eerste plaats dient betrokkene gewezen te worden op de beklagmogelijkheden:
– Tegen het (voorgenomen) besluit van de directeur over de toepassing van a- dwangbehandeling staat rechtstreeks beklag open bij de RSJ (zie artikel 72 lid 3 Pbw).
– Tegelijk met het indienen van het beroep kan ook een verzoek worden gedaan tot schorsing bij de voorzitter van de beroepscommissie RSJ (memorie van antwoord, aan de eerste kamer 12 juni 2012, 32 337 C, bladzijde 15).
Op de site van de RSJ is een formulier verzoek schorsing te vinden. Het verdient aanbeveling dit formulier bij elk bezoek waar dwangbehandeling speelt mee te nemen en betrokkene te wijzen op deze mogelijkheid.

2 Aandachtspunten voor de maandcommissaris ter ondersteuning van de bezwaarmogelijkheid via de voorzitter:
– Is betrokkene gehoord voorafgaande aan de beslissing. Wat vindt betrokkene van de dwangmedicatie.
– Heeft betrokkene enig idee welk gevaar moet worden afgewend. Wat is de mening van betrokkene over de relatie tussen zijn stoornis en het af te wenden gevaar.
– Zijn er andere minder ingrijpende middelen geprobeerd. Waarom zijn die naar de mening van betrokkene niet toereikend geweest of waren ze dat wel (naar de mening van betrokkene).
– Is de advocaat ingelicht en wat is de mening van de advocaat. Zijn de familieleden, de mentor en/of de curator ingelicht.
_ Kent betrokkene zijn rechten. Weet deze dat er een schorsing kan worden aangevraagd of dat het beroep moet worden ingesteld bij de RSJ

De taak van de maandcommissaris gaat verder dan hulp en bijstand in de fase waarin er sprake is van een voorgenomen besluit. In de memorie van toelichting, maar ook in de memorie van antwoord gaat de regering ervan uit dat de maandcommissaris de betrokkene ook volgt.
Dat volgen zal niet altijd mogelijk zijn. Uit de verslagen van de maandcommissarissen tot nu toe blijkt dat er slechts met een enkele betrokkene een werkrelatie ontstaat. Als er wel reden is tot volgen, bijvoorbeeld omdat betrokkene niet in staat is zelf zijn/haar belangen te behartigen, is het de vraag of de eerste maandcommissaris zelf nog een keer bij betrokkene op bezoek gaat of dat de dienstdoende maandcommissaris de betrokkene opneemt in zijn lijstje met te bezoeken gedetineerden.

De rol van de CVT en de maandcommissaris bij de b-dwangbehandeling
Bij de b-dwangbehandeling en de gedwongen medische behandeling is er niet zoveel veranderd ten opzichte van de “oude“ dwangbehandeling onder de Pbw. Het gaat in beide gevallen om een besluit van de directeur, tegen welk besluit beklag openstaat bij de beklagcommissie (Art 60 PBW). Tegen een besluit van de beklagcommissie staat beroep bij de RSJ open voor betrokkene en voor de directeur.

Op grond van artikel 66 PBW kan klager – hangende een uitspraak van de beklagcommissie – zich wenden tot de voorzitter van de beroepscommissie RSJ om de tenuitvoerlegging van de dwangbehandeling te schorsen. De voorzitter kan – de directie gehoord hebbende – de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk schorsen.

Hoewel formeel alleen schorsing kan worden aangevraagd als er een procedure is gestart bij de beklagcommissie, kan dat zo worden opgevat dat het voldoende is als betrokkene aangeeft een klacht te willen indienen. Desnoods kan het beklagformulier ter plekke worden opgemaakt.

Het is wel van belang zowel bij de a-dwangbehandeling als de b-dwangbehandeling snel schorsing aan te vragen als dat door betrokkene wordt gewenst en ook de directeur onverwijld te melden dat betrokkene een schorsing heeft aangevraagd. In de praktijk bestaat dwangbehandeling vaak uit depot medicatie en dat werkt langere tijd, veelal drie weken. Als eenmaal de injectie is gegeven heeft schorsing niet zoveel zin meer.

Hans Heeren