Voor advies bel: 023 303 22 00

Ontwikkelingen in het Bopz procesrecht; de positie van de officier van justitie.

Zoals u ongetwijfeld weet is de officier van justitie de belangrijkste verzoeker van rechterlijke machtigingen tot gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Die rol wordt nu achter de schermen vervuld. De officier verzameld alle benodigde informatie na een verzoek daartoe van de behandelaars en stelt een verzoek op aan de rechter. Hij is echter nooit, of liever, bijna nooit op de zitting aanwezig. Alleen in uitzonderlijke situaties en dan moet u denken aan procedures als het aflopen van een voorlopige hechtenis of een afloop van een gevangenisstraf waarin gebleken is dat de betrokkenen psychiatrische hulp behoeft, maar niet wil.
Er zijn twee ontwikkelingen die de discussie over de aanwezigheid van de officier van justitie beinvloeden. De eerste is het besluit om de Bopz dossiers te “verrijken” met justitiële informatie. Dit dateert van juli 2016. De tweede is de recente wijziging van de wet burgerlijke rechtsvordering. (1 september 2017. Ik zal beiden beschrijven en de ontstane discussie weergeven.

Verrijking van het Bopz procesdossier.
Sinds 10 mei 2016 is landelijk voorgeschreven dat bij aanvraag van een machtiging voortzetting in bewaring stelling (IBS) of een Voorlopige machtiging (VM) het BOPZ-dossier verrijkt wordt met politiemutaties en justitiële documentatie (strafblad). Schrijver dezes heeft de tem “verrijkt” zo overgenomen en stelt zich de vraag of dit wel zo genoemd mag worden. Het dossier mag worden aangevuld als ingeschat wordt dat de betrokkene (ook) een gevaar voor diens omgeving vormt. Verder is afgesproken dat de officier van justitie aanwezig is op de zitting.
Het bijvoegen van informatie uit justitiële documentatie en politiemutaties als dat nodig is lijkt een heldere richtlijn, maar in welke situaties is dat noodzakelijk? Politiemutaties (mits niet al te oud) geven in het algemeen een duidelijk beeld van de feiten en omstandigheden die in de omgeving van de patiënt spelen ten tijde van de Bopz procedure. Het is bijna altijd feitelijke informatie, die is waargenomen door de agenten zelf. Welke gevolgen aan deze feiten moet worden toegekend is vervolgens onderwerp van discussie tijdens de zitting. Nuttig dus. Het kan voorkomen dat in een Bopz dossier ook een afschrift wordt aangetroffen van een uittreksel uit de justitiële documentatie. De waarde daarvan is betrekkelijk. Voor niet ingewijden in het strafrecht zijn de uittreksels moeilijk te lezen. De delicten zijn teruggebracht tot nummers van de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht en ze zeggen weinig over de feitelijke toedracht. “Poging tot doodslag “kan een zeer gewelddadige sfeer weergeven maar ook het resultaat zijn van voorwaardelijk opzet op. Of een veel voorkomende, 141 Sr, openlijke geweldpleging, waar moet je dan aan denken? (bijvoorbeeld: schudden aan een ambassadehek bij een demonstratie, had u niet gedacht, zeg eens eerlijk)
In enkele gevallen bij wat oudere patiënten kan het dossier ook vele pagina’s bevatten. In een dossier trof de schrijver dezes een uittreksel aan van 25 kantjes. Niemand gaat dat bestuderen. Het is ook niet relevant om te weten wat er meerdere jaren geleden is gebeurd. Het strafblad voegt zo te weinig toe aan de informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling of er sprake is van gevaar, welk gevaar veroorzaakt wordt door een geestelijke stoornis. Het enige effect is dat een uittreksel stigmatiserend werkt voor de betreffende patiënt. De aanwezigheid van een officier helpt niet bij de interpretatie van het uittreksel. Ook hij/zij heeft alleen het uittreksel, zonder toelichting.
In de drie pilotarrondissementen Midden-Nederland, Rotterdam en Oost-Nederland is aanvullend op deze landelijke werkwijze het BOPZ-dossier verrijkt met informatie uit de strafrechtketen, de veiligheidshuizen en de sociale omgeving van de betrokkene. Het gaat dan om informatie uit de meest recente Pro Justitia rapportages, informatie uit de sociale omgeving en of uit registratiegegevens van veiligheidshuizen.
Bij de evaluatie van deze uitbreiding van informatie is ook de aan of afwezigheid van de officier bij de zitting onderzocht. Uit de enquête onder de rechters blijkt dat de extra informatie bijvoorbeeld uit NIFP-rapporten geen bruikbare informatie bevat. Ze zijn wel tevreden over de politiemutaties. Verder blijven zij van menig dat er behoudens uitzonderingen geen meerwaarde voor het proces ontstaat als de officier persoonlijk aan het Bopz proces deelneemt. In de praktijk blijkt dat ondanks de aanwijzing en de pilot officieren van justitie alleen in bijzondere gevallen op de Bopz zitting verschijnen.

Artikel 30 p wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
Er is naast de aanwijzing in het vorige hoofdstuk per 1 september 2017 een nieuwe omstandigheid ontstaan die de discussie over de aanwezigheid van de officier beïnvloed. Het gaat dan om de recente wijziging van Wetboek van Rechtsvordering.
Met de komst van het digitaal procederen (project Kei) is gekeken of er wijzigingen in de procedure noodzakelijk zijn. De bevindingen uit dit onderzoek zijn opgenomen in een aantal wijzigingen van het wetboek Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de Bopz praktijk van belang is artikel 30p Rv
• 1. De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen.
• 2. In afwijking van de artikelen 230 en 287 bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
• 3. Van de mondelinge uitspraak wordt door de rechter een proces-verbaal opgemaakt.
• 4. Het proces-verbaal wordt door de rechter ondertekend. Bij verhindering van de rechter wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
• 5. De rechter stelt binnen twee weken na de mondelinge uitspraak een afschrift van het proces-verbaal ter beschikking van partijen. Het afschrift dat wordt verstrekt aan een partij die tot tenuitvoerlegging van de uitspraak kan overgaan, is in executoriale vorm opgemaakt.
Het probleem is dat de officier in de regel niet op de zitting aanwezig is en de rechter dus eigenlijk geen mondeling uitspraak kan doen omdat niet alle partijen aanwezig zijn. Dat is onhandig en ongewenst in gevallen van spoed. Bijvoorbeeld als de maatregel direct moet ingaan omdat de situatie al ernstig uit de hand is gelopen en de ambulance al op de hoek wacht.
Er zijn naar alle waarschijnlijkheid verschillende oplossingen bedacht in de verschillende arrondissementen. Rechtbank Noord-Holland heeft ingeval het noodzakelijk is dat er direct een geldige beslissing ligt als oplossing een schriftelijke uitspraak te doen in de vorm van een stempel “Toegewezen als verzocht” op het verzoekschrift van het OM, voorzien van datum zitting en de handtekening van de rechter.
Binnen korte tijd volgt dan de meer uitgewerkte beschikking die de gronden bevat waarop de beslissing is genomen. Er ligt dan een geldige beschikking die direct uitgevoerd kan worden. Een goede oplossing voor een probleem, namelijk de afwezigheid van de officier. Zou dit een druk kunnen zijn om in meer gevallen de zittingen bij te wonen. We zullen zien. De afwezigheid van de officier is steeds nadrukkelijker merkbaar.

Welke invloed heeft de Wet verplichte GGZ op de positie van de officier?
In de Wvggz staat over de aanwezigheid van de officier: “De officier van justitie is op de zitting aanwezig, tenzij het evident is dat een nadere toelichting of motivering van het verzoek niet nodig is”. Zie artikel 6:1 lid 4 wetsvoorstel Wvggz. Hij, of vaker een zij, hoeft nog steeds niet te komen, maar de druk om te gaan wordt steeds groter. Want wanneer is het evident dat een nadere toelichting niet nodig is? Vanuit het perspectief van de advocaat luidt het antwoord: Nooit. Het is echter de vraag of de toelichting van de officier moet komen of van de arts. Ik meen uit de praktijk op te maken dat de rechter en de advocaat de toelichting van de arts het meest belangrijk vinden.
Hans Heeren